Factsheet toestand en ecologische sleutelfactoren (DIPS)

Hoofdlijnen

Beschrijving van het gebied en watersysteem op hoofdlijnen

De vaarten in de Vechtstreek is een boezemsysteem op de overgang van de hooggelegen Utrechtse Heuvelrug en het laaggelegen Vechtdal. Het zijn voornamelijk recht gegraven vaarten. Het gaat hier om de Naardertrekvaart, de Vestinggracht van Naarden, de zanderijvaarten in het stedelijk gebied van Naarden en Bussum, Karnemelksloot, de zanderij Cruysbergen, de ’s Gravelandsevaart noord en Gooise vaart. De breedte van de vaarten is 15 à 25 m (de Vestinggracht Naarden is breder). De functie is aan- en afvoer van water naar en vanuit de naastgelegen polders en waterberging. Het stroomgebied heeft een oppervlak van 2.809 ha poldergebied en 726 ha vrij afwaterend gebied. Daarnaast is er een beperkte vaarfunctie. Kenmerkend voor de ’s Gravelandsevaartboezem is dat de afvoer via natuurlijke afwatering op de Vecht en het IJmeer plaats vindt en niet met boezemgemalen. Vrijwel alle afvoer gebeurt via de Sluis Uitermeer naar de Vecht. Alleen bij hoogwatersituaties worden ook de Keetpoortsluis (naar de Vecht) en/of de Steenen Beer (naar het IJmeer) ingezet. Afvoer is uiteraard alleen mogelijk wanneer de waterstanden op de Vecht of het IJmeer daartoe mogelijkheid bieden. Als er sprake is van een watertekort in de ’s Gravelandsevaartboezem wordt in het noorden van het gebied bij het sluizencomplex de Steenen Beer water uit het IJmeer ingelaten. Het water wordt ingelaten om de boezem op peil te houden, tekorten in omringende polders (en plassen) aan te vullen en om de zoute kwel weg te spoelen in de Horstermeerpolder. De ’s Gravelandsepolder heeft verreweg de grootste watervraag, inclusief de aanvoer naar de Horstermeerpolder. In droge tijden zien we dat de stroming van water plaatsvindt vanaf de Steenen Beer bij Muiden richting het oosten. Bij Naarden buigt de stroming af naar het zuiden. Het meeste water gaat via de Noordersluis naar de Polder ‘s Graveland. Deze stromingsrichting is ook van invloed op de waterkwaliteit.
Vaarten Vechtstreek (NL11_2_2) heeft watertype “grote ondiepe kanalen zonder scheepvaart” (M6a) en het wateroppervlak van het waterlichaam is 134 hectare.
Het waterlichaam bestaat uit de deelgebieden:
4000-EAG-1 (’s-Gravelandsche vaartboezem, ’s-Gravelandsche Vaart), 4000-EAG-3 (’s-Gravelandsche vaartboezem, Karnemelksloot), 4000-EAG-4 (’s-Gravelandsche vaartboezem, Naardertrekvaart), 4000-EAG-6 (’s-Gravelandsche vaartboezem, Vesting Naarden), 4000-EAG-7 (’s-Gravelandsche vaartboezem, Naarden-Bussum), 4000-EAG-8 (’s-Gravelandsche vaartboezem, Zanderijvaarten), 4250-EAG-2 (’s-Gravelandsche Polder, ’s-Gravelandsche Polder - KRW Waterlichaam)
Het waterlichaam ligt in de provincie(s) Noord-Holland en gemeente(n) Gooise Meren, Hilversum, Weesp en Wijdemeren. Het waterlichaam Vaarten Vechtstreek heeft de status KRW waterlichaam en is in eigendom van Gemeente Hilversum, Gooise meren, Amsterdam, Provincie Noord-Holland, Waterschap Amstel, Gooi en Vecht.

Ligging en beeld

Het ecosysteem ziet eruit als onderstaand beeld

Ligging waterlichaam

Ligging deelgebieden

Toestand

Ecologische analyse op hoofdlijnen

De doelen
Het KRW-doel is het realiseren van een goede ecologische toestand voor Grote ondiepe kanalen zonder scheepvaart (M6a), met scores voor fytoplankton, macrofauna, waterflora en vis in het groen.

De huidige toestand vergeleken met de doelen –matig
De toestand in Vaarten Vechtstreek (zwarte lijnen in de figuur hiernaast) is matig. Het biologische kwaliteitselement met het laagste oordeel is Vis. De slechts scorende deelmaatlat van dit kwaliteitselement is Soortenrijkdom Visgilde - plantminnende en migrerende soort (PmM).

De soortensamenstelling van ondergedoken vegetatie en de biodiversiteit aan macrofauna is de afgelopen 10 jaar afgenomen, terwijl de vegetatiebedekking en soortensamenstelling van emerse planten is toegenomen. De score op de maatlat Fytoplankton vertoont een negatieve trend (-0.2 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Waterflora vertoont een positieve trend (0.19 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Macrofauna vertoont een negatieve trend (-0.19 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Vis vertoont een negatieve trend (-0.21 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). Stikstof gaat achteruit.

Oorzaken op hoofdlijnen
De oorzaak van deze matige kwaliteit is de hoge voedselrijkdom van het waterlichaam. De waterkwaliteit van de ‘s Gravelandsevaartboezem wordt bepaald door bronnen met hoge nutriëntenconcentraties, de korte verblijftijd en de inrichting met weinig ondiep oppervlak en land-water overgangen. Vanuit de kustpolders (polders langs de voormalige Zuiderzeekust) wordt water afgevoerd naar de ’s Gravelandsevaartboezem. Het water uit deze polders kenmerkt zich door relatief hoge concentraties fosfor en chloride, afkomstig van kwelwater uit de voormalige Zuiderzee. Dit water stroomt, deels gevoed en vermengd met inlaatwater uit het IJmeer, deze hele boezem door, ook langs de inlaten van natuurgebieden. In de analyses met het boezemmodel van AGV is te zien dat het water met name in het gebied rond Naarden en Bussum erg lang stilstaat (en bovendien wordt beïnvloed door overstorten), waardoor algen en kroos kunnen gaan groeien en de kwaliteit van het water in droge zomers verslechtert. Dit water, van mindere kwaliteit en met veel algen en kroos, stroomt vervolgens in zuidelijke richting naar de inlaten van onder andere Polder ’s Graveland en de Ankeveense Plassen.

Maatregelen op hoofdlijnen
De maatregelen zijn gericht op het verminderen van de belasting met voedingsstoffen en microverontreinigingen, bijvoorbeeld door waterstromen af te leiden van kwetsbare gebieden, baggeren en verminderen van de nutriënten belasting vanuit de landbouw. Het is ook mogelijk de waterkwaliteit te verbeteren door delen van dit waterlichaam te zoneren. Het is wenselijk dat er niet gevaren wordt boven ondiepe zones in de plas omdat schroeven van schepen vegetatie kunnen vernielen en dit leidt tot opwerveling van bodemdeeltjes en de ontwikkeling van emerse planten wordt geremd door golfslag. Daarnaast zijn er maatregelen nodig om de oevervegetatie te beschermen.

Toestand

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Ecologische sleutelfactoren

Ecologische sleutelfactoren

esficon Productiviteit water vormt een probleem doordat het watersysteem te hoog belast is. De Noordpolder, Zuidpolder en het stedelijk gebied van Bussum zijn grote bronnen van nutriënten. In de analyses met het boezemmodel van AGV is te zien dat het water met name in het gebied rond Naarden en Bussum erg lang stilstaat (en bovendien wordt beïnvloed door overstorten), waardoor algen en kroos kunnen gaan groeien en de kwaliteit van het water in droge zomers verslechtert. Dit water, van mindere kwaliteit en met veel algen en kroos, stroomt vervolgens in zuidelijke richting naar de inlaten van onder andere Polder ’s Graveland en de Ankeveense Plassen. In het water dat minder lang stilstaat zijn minder zwevende algen aanwezig, maar hier is wel veel perifyton aanwezig. Dit is aangroei van algen aan bijvoorbeeld planten.
esficon Lichtklimaat vormt een probleem. Dit komt door de hoge fosfaatconcentraties (en daardoor soms hoge algenconcentraties) en perifyton (korstvormige algen). Maar ook vaarbewegingen, opwerveling en verduistering door steigers zijn risico’s voor het lichtklimaat.
esficon Productiviteit bodem vormt een probleem. De waterbodem is lokaal (nabij Bussum) voedselrijk. In overige delen van het waterlichaam is dit onbekend.
esficon Habitatgeschiktheid vormt een probleem door scheepvaart. Scheepvaart zorgt voor golfslag en de bodem is te veel in beweging om waterplanten te kunnen laten groeien langs de oever.
esficon Verspreiding vormt geen probleem. De doelsoorten zijn in de omgeving aanwezig en kunnen er ook komen.
esficon Verwijdering vormt een probleem. Schroeven van schepen zijn een groot risico voor verwijdering van ondergedoken waterplanten. Dit geldt ook voor kleinere sloepjes. Eventuele nieuwe vaarverbindingen vormen wat dat betreft een risico.
esficon Organische belasting vormt mogelijk een probleem vanwege riooloverstorten.
esficon Toxiciteit vormt een probleem. In Bussum is de SIMONI score > 1, dit geeft aan dat er een risico wordt verwacht als gevolg van de aanwezigheid van te hoge concentraties microverontreinigingen. In stedelijk gebied is de toxische druk hoog, overstorten zijn de bron van deze druk.

Bron

Deze factsheet is gebaseerd op de KRW toetsing aan (maatlatten 2018) uit 2019, begrenzing waterlichamen 2015-2021, hydrobiologische data 2006-2018 en conceptmaatregelen en doelen voor SGBP3 en Rapport varen in de vaart, Deltares.

Maatregelen (R)

SGBP 1 en 2 maatregelen die (deels) zijn uitgevoerd

SGBP 1 en 2 maatregelen in planvorming

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn gefaseerd

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn ingetrokken of vervangen

Nieuwe maatregelen voor SGBP3 tov totaal aantal maatregelen

Maatregelen

ESFoordeel SGBPPeriode Naam Toelichting BeoogdInitiatiefnemer UitvoeringIn
esficon SGBP3 2021-2027 Maatregelen in de landbouw om nutriëntenbelasting op de waterlichamen te beperken Aan deze maatregel wordt uitvoering gegeven via Agrarisch waterbeheer en Waterdiepte op maat. De maatregel is relevant voor dit waterlichaam, omdat er veel agrarische polders naar de boezem afwateren. Precisiebemesting, bodemverbetering en routemaatregelen (bufferzone) zijn maatregelen die opgenomen zijn in agrarische beheerpakketten, investeringssubsidies. We gaan samen met de landbouw een nieuwe stimuleringsregeling voor bovenwettelijke maatregelen nutriënten faciliteren. Vrijwillige maatregelen worden geagendeerd door een watermakelaar en gepresenteerd in studieclubs. Op https://maatregelen-op-de-kaart.nmi-agro.nl/ kan per perceel worden opgezocht welke maatregelen het best uitvoerbaar en nuttigst zijn. Wij zijn regionaal uitgegaan van de goede landbouwpraktijk (GLP) in 2027. De uitworp uit een landbouwpolder neemt daardoor 10% af, voor een belangrijk deel door een grotere retentie door een grotere waterdiepte (meer slootonderhoud) en een afname van meststofverliezen. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Afkoppelen van hemelwater en toenemende infiltratie De gemeente GooiseMeren gaat door met maatregelen in het stedelijk gebied van Bussum voor verdere afkoppeling van hemelwater en toenemende infiltratie in de ondergrond. Hierdoor zullen riooloverstorten verder verminderen. Gemeente Gooise Meren 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Voortstuwer Karnemelksloot voor omkeren waterstromen Verschillende scenario’s worden uitgewerkt om de waterstromen in de ’s Gravelandsevaartboezem om te draaien. Bijvoorbeeld door water aan te voeren vanuit de Vecht naar polder ’s-Graveland. Een nieuwe pomp/voortstuwer in de Karnemelksloot kan zorgen voor een definittieve omkering van de stroming van zuid naar noord, waardoor het voedselrijke water uit de kustpolders via het noordelijke deel van de ’s Gravelandsevaartboezem wordt afgevoerd. Dit scenario levert een grote waterkwaliteitsverbetering op in de zuidelijke ’s-Gravelandsevaartboezem. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Boezemgemaal voor omkeren waterstromen Momenteel worden in een detailstudie verschillende scenario’s uitgewerkt om de waterstromen in de ’s-Gravelandsevaartboezem om te draaien. Het voedselrijke water uit de kustpolders wordt dan via een nieuw te bouwen boezemgemaal in het noordelijke deel van de ’s-Gravelandsevaartboezem afgevoerd. Dit scenario levert een grote waterkwaliteitsverbetering op in de zuidelijke ’s-Gravelandsevaartboezem. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP2 2015-2021 Maatregelen landbouw om nutrientenbelasting op de waterlichamen te beperken fase 1 Deze maatregel wordt uitgevoerd in meerdere waterlichamen: Amstellandboezem, Vaarten Ronde Hoep, Vaarten Groot Mijdrecht, Bovenkerkerpolder, Noorderlegmeer, Groot Wilnis-Vinkeveen Zuid, Polder Demmerik, Vaarten Zevenhoven, Tussenboezem Vinkeveen a, Mijdrechtse Bovenlanden, Vinkeveense Plassen, Vecht, Vaarten Vechtstreek, Stichts Ankeveense Plassen, Kortenhoefse Plassen, Spiegelplas, Wijde Blik, Loosdrechtse Plassen, Ster en Zodden, Maarsseveense Zodden en omgeving, Molenpolder en Westbroek Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2015-2021
SGBP1 2009-2015 Onderzoeken maatregelen Vaarten Vecht (Omkeren waterstromen) Het betreft het uitvoeren van drie deelonderzoeken:- Onderzoeken leeftijdsopbouw vispopulatie- Onderzoeken mogelijkheden voor flexibel peilbeheer in de uitlopers van devaarten- Onderzoeken mogelijkheden alternatieve wateraanvoer naar de vaarten ter aanvulling /vervanging van ingelaten IJmeerwater via Stenen Beer Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
esficon SGBP3 2021-2027 Zoneren vaarbewegingen De vaarbewegingen in het noordelijk deel van het waterlichaam nemen toe. Dit vergroot de druk op de ecologische waterkwaliteit. Scheepvaartluwe zones bieden kansen voor ontwikkeling van water- en oeverplanten, omdat er minder bodemmateriaal opwervelt en er minder golfslag is die de ontwikkeling van vegetatie remt. Dit kan op meerdere manieren gerealiseerd worden: bijvoorbeeld door varen op maar één helft van de lengterichting of door alleen trekschuiten toe te staan of door te zoneren. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
esficon SGBP3 2021-2027 Natuurvriendelijke dijkreconstructie Deze maatregel komt uit het vastgestelde boezemplan. Gegarandeerd moet worden dat de ecologische waterkwaliteit bij ingrepen in de boezem niet verslechtert. De inrichting van de boezem bepaalt of deze geschikt is als leefmilieu voor flora en fauna en is daarmee van invloed op de ecologische waterkwaliteit. Voldoende ondiep oppervlak, een flauw talud en verbinding tussen land en water zijn van belang voor de ecologie. Ingrepen in de inrichting van de boezem kunnen er ook voor zorgen dat de waterkwaliteit verbetert. De schatting is dat 20% van de beschoeide oeverlengte aangepast kan worden. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Aanleggen natuurvriendelijke oevers Dit is een gefaseerde maatregel en wordt deels uitgevoerd het project Verder met de Vesting in Muiden. Oevers worden alleen aangelegd in comibnatie met andere doelen: beleving in stedelijk gebied of recreatie. De schaal van deze maatregel is te klein om terug te zien in de toestand van het gehele waterlichaam; het geeft alleen lokaal een verbetering van de ecologische waterkwaliteit. Als de waterstromen zijn omgekeerd: dan krijgen ook andere delen van het waterlichaam (de ‘s Gravelandsevaart west) meer kansen voor soortenrijke oevers. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP2 2015-2021 Aanleggen natuurvriendelijke oevers Of geheel faseren of 1.2 km aanleggen in samenwerking met gemeente Muiden bij de vesting. Oevers worden vooral aangelegd voor andere doelen dan KRW: beleving in stedelijk gebied of recreatie. De vesting is wel een van de meest kansrijke stukken omdat het water hier helderder is vanwege de korte verblijftijd en grote fractie IJmeerwater. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2015-2021
SGBP1 2009-2015 Aanleggen natuurvriendelijke oevers bij faunaverbinding Naardermeer - Ankeveense Plassen Deze verbinding bestaat uit watergangen. Om als faunaverbinding te functioneren, moeten de oevers natuurvriendelijk ingericht zijn. Provincie Noord-Holland 2009-2015
SGBP1 2009-2015 Toepassen ecologisch onderhoud oevers hoofdwateren - fase 1 Een gebiedsbrede maatregel in alle waterlichamen Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
esficon SGBP2 2015-2021 Vispasseerbaar maken sluizen, gemalen en stuwen - fase 1 Het gaat om het vispasseerbaar maken van de inlaat Steenen Beer bij Muiden. Hier is de bediening aangepast om vistrek mogelijk te maken. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2015-2021
SGBP1 2009-2015 Vispasseerbaar maken sluizen, gemalen en stuwen - fase 1 Het gaat om het vispasseerbaar maken van de inlaat Steenen Beer bij Muiden. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht niet
esficon SGBP3 2021-2027 Toepassen van ecologisch onderhoud en baggeren van hoofdwateren Natuurvriendelijk onderhouden is meestal gericht op niet méér verwijderen dan noodzakelijk is. Dus het beheer aanpassen als er te weinig vegetatie is zodat flora en fauna zich kunnen herstellen. Bij alle hoofdwatergangen van ons gebied is beoordeeld welke uitvoeringsmethode we kunnen en willen uitvoeren. In veel watergangen kan 25% van de vegetatie blijven staan. Vanwege ruimtegebrek is het niet mogelijk om overal 25% te sparen. Deze maatregel is opgenomen voor alle waterlichamen waar dit relevant is. Bij het baggeren zal, waar mogelijk, de oevervegetatie worden gespaard en bij de uitvoering zal worden gekozen voor meer natuurvriendelijke technieken Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027

Disclaimer: SGBP3 maatregelen zijn nog niet bestuurlijk vastgesteld en kunnen nog worden gewijzigd.

Toelichting en onderbouwing ESF-en, monitoring en begrenzing

Motivering KRW status en herbegrenzing

Het waterlichaam is kleiner geworden. Delen van het waterlichaam (Cruysbergen) zijn geen onderdeel meer van het waterlichaam omdat ze geen onderdeel zijn van het watersysteem en een ander watertype hebben.

Monitoringswensen

In dit waterlichaam wordt de vegetatie 1 keer per 3 jaar gemeten. Macrofauna wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Fytoplankton wordt 1 keer per 6 jaar gemeten. Vis wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Daarnaast worden maandelijks verschillende fysisch chemische parameters gemeten in het waterlichaam en het inlaatwater van het waterlichaam.

Indicatoren ESF

ESF 1: Productiviteit

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

ESF 2 en 4: Lichtklimaat en waterdiepte

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

ESF 1 en 3: Waterbodem

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Brondata: water- en stoffenbalansen

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma`s fysisch-chemie en hydrobiologie

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma waterbodemchemie

EKR scores op alle deelmaatlatten in de tijd

Begrippenlijst en afkortingen

Waterlichaam De waterlichamen vormen de basisrapportageeenheden van de KRW. Op basis van artikel 5 KRW zijn in 2004 Nederlandse oppervlaktewateren aangewezen als KRW-waterlichamen: natuurlijk, kunstmatig2 of sterk veranderd. Een oppervlaktewaterlichaam kan als kunstmatig of sterk veranderd worden aangewezen vanwege ingrepen in de hydromorfologie (art. 4 lid 3 KRW), die het bereiken van de Goede Ecologische Toe-stand verhinderen. In Nederland zijn vrijwel alle waterlichamen kunstmatig of sterk veranderd.

Emerse waterplanten Emerse waterplanten steken gedeeltelijk boven het wateroppervlak uit en wortelen in de (water)bodem.

Helofyten De moerasplanten of helofyten kan men vinden in vochtige gebieden, oevers, tijdelijke wateren en overstromingsgebieden. Typerend voor vele moerasplanten is dat ze zich hebben aangepast aan een droge periode (zoals het uitdrogen van een rivierbedding) en een periode van gedeeltelijke of volledige onderdompeling. Voor sommige soorten is deze afwisseling noodzakelijk voor het bestaan. Terwijl de ‘echte’ waterplanten niet in de bodem wortelen en vaak onder water kunnen leven (met uitzondering van de bloeiwijzen), wortelen de helofyten of moerasplanten in de bodem en steken gewoonlijk boven de wateroppervlakte uit.

Submerse waterplanten De term submers (ondergedoken) wordt gebruikt voor waterplanten die geheel onder water groeien. Alleen de bloeiwijze kan bij sommige soorten boven het water uitsteken.

Hydrofyten De ‘echte waterplanten’ of hydrofyten komen voor in stilstaande of traag stromende permanente meren of rivieren. Deze planten zijn aangepast aan een submers leven. Indien het biotoop uitdroogt wordt het voortbestaan van deze planten bedreigd. De wortels dienen tot verankering van de plant. De stengels kunnen tot tien meter lang worden en zijn soepel en buigbaar. De drijvende bladeren kunnen hierdoor aanpassen aan de waterstand, waardoor de lichtopname niet in het gedrang komt. Andere soorten drijven, onafhankelijk van de bodem, net onder of boven het wateroppervlak. Er bestaan dus hydrofyten met zowel een submerse als emerse groeivorm. In beide gevallen zullen de voedingstoffen hoofdzakelijk via het blad opgenomen worden.

GAF Een afvoergebied of een cluster van peilgebieden met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze via een gemeenschappelijk punt hun water lozen op een hoofdsysteem.

EAG Ecologische analysegebieden zijn nieuwe opdelingen van de bestaande af- en aanvoergebieden (GAF’s), meestal (delen van) polders. De opdeling in EAG’s is gemaakt op basis van een aantal kenmerken zoals vorm, verblijftijd, waterdiepte, strijklengte, de aanwezigheid van kwel of wegzijging en de afvoerrichting van het water. Een EAG valt altijd volledig binnen een afvoergebied. Af-en aanvoergebieden, maar ook KRW-waterlichamen, zijn dus opgebouwd uit één of meer EAG’s.

KRW Kaderrichtlijn water

N2000 Natura 2000 De verzameling van Nederlandse natuurgebieden die in Europees verband een beschermde status genieten (Vogel- en habitatrichtlijngebieden).

EKR Ecologische kwaliteitratio, een getal tussen 0 en 1 waarmee de kwaliteit van een ecologische parameter wordt aangegeven. 0 is zeer slecht, 1 is zeer goed. De grens voor het GEP wordt gewoonlijk bij een EKR van 0,6 gelegd.

Biologisch kwaliteitselement Een ecologische groep de waarmee de situatie van het waterlichaam wordt beoordeeld. Gebruikt worden: fytoplankton en diatomeeën (algen), waterplanten, macrofauna (waterdieren) en vissen.

Maatlat Een schaal die gebruikt wordt om de situatie van een ecologische parameter te beoordelen. De uitkomst is een EKR.

Deelmaatlat Voor elk biologisch kwaliteitselement zijn één of meerdere deelmaatlattenonderscheiden op basis van de soortsamenstelling en de (relatieve) aanwezigheidvan soorten, en voor vis de leeftijdsopbouw. De uitkomst is een EKR.

Indicator Een verder opdeling van biologische deelmaatlatten. De uitkomst is in een aantal gevallen een EKR.

GEP of KRW doel De KRW heeft voor natuurlijke waterlichamen als doel dat een goede toestand (zowel ecologisch als che-misch) moet worden gehaald (GET). Voor de kunstmatig of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen moet een goed ecologisch potentieel (GEP) en een goede chemische toestand worden bereikt. Het GEP voor rijkswateren wordt afgeleid door Rijkswaterstaat namens de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat (en mogelijk Landbouw, Visserij en Voedselveiligheid) en gepresenteerd in het Beheerplan rijkswateren (BPRW, vastgesteld door de ministers). De provincies zijn verantwoordelijk voor het afleiden van het GEP voor regionale wateren. Dit gebeurt in regionale waterplannen. Hoewel de provincie formeel het GEP moet vaststellen in het regionaal waterplan, levert het waterschap vanwege de kennis over watersystemen meestal het GEP aan, als beheerder van het regionaal oppervlaktewaterlichaam. Beide kunnen hierbij de Handreiking KRW-doelen volgen. De KRW biedt uitzonderingsmogelijkheden waarbij het doel later (doelvertraging) of niet (minder streng doel) gehaald hoeft te worden. Alleen in het laatste geval is het GEP niet meer het doel. In deze handreiking is het GEP-synoniem voor het doel, tenzij anders aangegeven. In hoofdstuk 3 en 4 wordt het afleiden van de doelen technisch beschreven.

SGBP Naast het definiëren van waterlichamen en doelen schrijft de KRW voor dat er stroomgebiedbeheerplan-nen (SGBP) worden opgesteld (art. 13 KRW). De bouwstenen van de stroomgebiedbeheerplannen staan in de waterplannen van het Rijk en de provincies en in de beheerplannen van de waterbeheerders. De SGBP’s geven een overzicht van de toestand, de problemen, de doelen en de maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit voor de inliggende waterlichamen. Nederland kent vier stroomgebieden: Rijn, Maas, Schelde, en Eems. De beheerplannen voor de stroomgebie-den worden iedere zes jaar geactualiseerd. Volgens bijlage VII van de KRW bevatten de SGBP’s onder andere:de beschrijving van de kenmerken van het stroomgebieddistrict;de ligging, begrenzing en typering van waterlichamen (voor sterk veranderd en kunstmatig inclusief een motivering); de huidige toestand op basis van de resultaten van de monitoring over de afgelopen periode;de doelen voor waterlichamen en een eventueel beroep op uitzonderingsmogelijkheden inclusief motivering; een samenvatting van de te nemen maatregelen om de doelen te bereiken.

Watersysteemanalyse Om goede keuzes te maken voor doelen en maatregelen is het essentieel te weten hoe een waterlichaam werkt. De systeemanalyse heeft als doel inzicht te verschaffen in het systeemfunctioneren, wat via verschillende methoden bereikt kan worden. Dit vormt het vertrekpunt voor het antwoord op de vraag hoe (met welke maatregelen) kan worden gekomen tot een betere toestand. Zonder goed inzicht in het systeem-functioneren is het risico groot dat niet de juiste maatregelen in beeld zijn, of dat maatregelen uiteindelijk niet opleveren wat ervan wordt verwacht.